De Nederlander Gerrit Rietveld (1888-1964) was een van de belangrijkste ontwerpers en architecten van de 20e eeuw.
Nadat hij van 1904 tot 1913 in de goudsmid-werkplaatsen C.J.A. Begeer was opgeleid tot tekenaar, trad hij in 1911/1912 toe tot de groep Kunstliefde en richtte hij in 1917 zijn eigen meubelwerkplaats op in Utrecht. Al vroeg sloot hij zich aan bij de neoplasticistisch georiënteerde De Stijl-beweging rond Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Zijn werk vanaf 1918 weerspiegelt duidelijk de artistieke idealen van deze groep.
Rietveld veranderde objecten en gebouwen in abstracte composities van lijnen en vlakken, voornamelijk in zwart, wit, grijs en de primaire kleuren geel, rood en blauw. Toch ontwierp hij zijn legendarische Rood-Blauwe Stoel in 1918 aanvankelijk zonder de kenmerkende, naamgevende kleurstelling – die kwam er pas in 1923 bij.
In 1924-1925 volgde Rietvelds eerste architecturale werk, het tegenwoordig legendarische Rietveld Schröderhuis. Op zoek naar manieren om zijn radicale esthetische ideeën verder te ontwikkelen, keerde Rietveld zich echter af van de De Stijl-esthetiek en experimenteerde hij tot eind jaren 30 vooral met innovatieve materialen, waaronder gelaagd hout en aluminium. Daaruit ontstonden nieuwe, verrassende meubelvarianten, zoals de legendarische Zigzagstoel (ca. 1932).
Na 1945 was Rietveld vooral actief als architect en ontwierp hij prestigieuze gebouwen zoals het Nederlandse paviljoen op het Biënnale-terrein in Venetië. Uiterlijk de grote De Stijl-retrospectieve van 1952/53 in het New Yorkse MoMA verzekerde hem van internationale erkenning als een van de wegbereiders van de moderne vormgeving.


