Marianne Brandt werd in 1893 geboren in Chemnitz. Ze verwierf vooral bekendheid als metaalontwerpster, maar was ook actief als beeldhouwster en schilderes.
Na een studie aan de Groothertogelijke Saksische Hogeschool voor Beeldende Kunst in Weimar woonde Marianne Brandt een tijdlang met haar man Erik Brandt in Noorwegen, voordat ze van 1923 tot 1929 naar het Bauhaus ging. Aan het Bauhaus in Weimar volgde ze de voorbereidende cursus bij Albers en Moholy, cursussen bij Klee en Kandinsky, en rondde ze een opleiding af in de metaalwerkplaats.
Na de verhuizing van het Bauhaus naar Dessau en een kort verblijf in Parijs werd Marianne Brandt in 1928/29 – nog tijdens haar studie – benoemd tot waarnemend hoofd van de metaalwerkplaats van het Bauhaus. Haar Bauhaus-diploma behaalde ze in 1929.
Tot 1932 was Marianne Brandt hoofd van de ontwerpafdeling van een metaalwarenfabriek in Gotha. Tot 1948 was ze werkloos en wijdde ze zich in die tijd aan de schilderkunst. Aan het einde van de oorlog ging ze als docent naar de Hogeschool voor Beeldende Kunsten in Dresden en was ze van 1951 tot 1954 medewerker bij het Institut für Industrieformgestaltung in Berlijn. In 1954 keerde Marianne Brandt terug naar Chemnitz en wijdde ze zich daar vooral aan de vrije kunst en kunstnijverheid. Ze overleed in 1983 in Kirchberg/Sachsen.
Marianne Brandt gold als een van de grootste talenten van de metaalwerkplaats van het Bauhaus. Veel bekende ontwerpen ontstonden tijdens haar studietijd: onder meer lampen, asbakken en theepotten, die tegenwoordig te zien zijn in het Museum of Modern Art in New York en deels nog steeds naar de oorspronkelijke ontwerpen worden geproduceerd.


